Overslaan naar inhoud

Wat blijft er over als je apenwerk weggeeft?

23 september 2026 in
Wat blijft er over als je apenwerk weggeeft?
Leveraged, johan dhaeseleer
Apenwerk.

Ik wil er zo weinig mogelijk tijd, energie en aandacht in steken.
Zo noemde Clara het, op de workshop Claude Code.

Repetitieve, mindless taken.
Ze vullen je tijd en geven niets terug.
Weg ermee.

Die reactie zagen Jan en ik niet aankomen, vorige week in Hasselt.

Clara bouwde twee apps.
Ze nemen een stuk van wat zij apenwerk noemt uit haar handen.

Haar enthousiasme werkte aanstekelijk.
Dat doet het bij mij altijd.

Ik neem gemakkelijk een mood over, in beide richtingen.
Mezelf dan afvragen: is dit van mij, of van iemand anders?
Een aangeleerd protocol van mij.

Dat is een zijpad.
Terug naar de boodschap: ik wil je zien deelnemen aan de
workshop over de digitale butler.
Schrijf je in via deze link.

Het werkt meteen door op je effectiviteit en je efficiëntie.

Clara's uitspraak zette me aan het denken.
Welk werk kan mijn digitale executive assistent, mijn digitale
butler zoals Jan hem noemt, overnemen?

Het werd een kaart van wat jij kan overdragen.
En een reden extra om je in te schrijven.

Soorten werk die een digitale butler kan opnemen
S. Standaardstructuur: ik start, de butler werkt verder, ik werk af.
Ik noem het ook ME-AI-ME.

A. Ik werk niet meer af: volledig uit handen, ik stel één keer de regel.

B. Ik start niet meer: de butler begint zelf, op tijd of signaal, en geeft terug.

  1. Metawerk (S) (werk om het werk te kunnen doen): plannen, prioriteren, bijhouden, reviewen, documenteren. Het werk vóór en ná het echte werk.
  2. Zoekwerk (S): opzoeken, uitpluizen, samenvatten, een klant of onderwerp voorbereiden. Uren die verdwijnen in tabbladen.
  3. Onthoudwerk (S): wie zei wat, wat beloofde je, welke deadline hangt nog. Het geheugen dat je nu in je hoofd of op losse briefjes draagt. Documenteren in mijn tweede brein.
  4. Klaarzetwerk (S): de eerste versie. Draft van een mail, opzet van een post, voorbereiding van een gesprek. De 80% waar jij de laatste 10% op zet. Nadat jij de eerste 10% gaf.
  5. Nazorgwerk (S): na een gesprek de afspraken uitschrijven, actiepunten verdelen, de opvolgmail maken. Het werk dat blijft liggen omdat het volgende gesprek al begint.
  6. Registratiewerk (S): loggen wat je at, woog, werkte, verkocht. De boekhouding van je eigen leven en business.
  7. Sorteerwerk (S): triage. Inbox, brain-dump, stapel notities: wat is wat, waar hoort het.
  8. Leeswerk (S): het rapport van 40 bladzijden, het transcript van 2 uur, de nieuwsbrief-berg. Lezen en teruggeven wat me interesseert.
  9. Controlewerk (S): checken tegen een standaard. Stijl, cijfers, links, dubbele afspraken, ontbrekende velden.
  10. Sparringwerk (S) (grens): tegenspraak zoeken, je eigen redenering laten aanvallen, een gesprek oefenen.
  11. Apenwerk (A) (herhaalwerk): kopiëren, plakken, overtypen, doorsturen, in het juiste mapje zetten. De regel is bekend, alleen de handen ontbreken.
  12. Doorgeefwerk (A): informatie van het ene systeem naar het andere brengen. Transcript naar notitie, notitie naar factuur, mail naar taak.
  13. Rekenwerk (A): totalen, omzet-snapshot, kcal van de dag, uren per klant. Cijfers die je nu op een kladje optelt.
  14. Opmaakwerk (A): dezelfde tekst als mail, als blog, als PDF, als post. Formaat is werk dat niemand ziet als het goed is.
  15. Huishoudwerk (A): het systeem zelf onderhouden. Mappen opruimen, links repareren, oude tags weg, dubbele files. Werk dat je uitstelt tot het pijn doet.
  16. Wachtwerk (B) (bewaken): inbox in de gaten houden, agenda bewaken, een experiment volgen, een betaling opvolgen. Werk dat je niet doet en dat toch aandacht vreet omdat het er ligt.
  17. Herinnerwerk (B): op het juiste moment iets terugbrengen. Experiment loopt af, klant heeft 3 weken geen call, factuur staat open.
  18. Spiegelwerk (B) (grens): patronen over weken zien die je van dichtbij niet ziet. Wat blijft terugkomen, wat schuif je al 3 keer door.

Wat bij mij blijft
Je zou haast denken dat ik niks meer doe.

Vijf soorten werk blijven bij mij, wat de butler ook overneemt.

  1. Oordeelswerk: beslissen.
  2. Relatiewerk: de mens tegenover me.
  3. Betekeniswerk: wat wil ik eigenlijk.
  4. Creërend werk: omdat ik dat graag doe.
  5. Eigen werk (identiteitswerk): wie ik wil zijn. Mijn vak zelf, de manier waarop ik het doe, de mens die ik erin word. Dat groeit alleen door het zelf te doen.

Alles boven die lijn is delegeerbaar, ook zonder team.
Daaronder blijft het werk dat me tot coach maakt.