De vakantie is officieel voorbij.
De voorbije zomervakantie hebben we nieuw leven in huis gehaald.
Een jonge pup: Bruce, een bordercollie. "Australisch rood" noemde de kweker de kleur. Bij ons zeggen we gewoon "vos."
Dat Australisch rood kende ik niet. Sommige weetjes zijn alleen goed voor een kwis.
Dat beestje is nieuwsgierig.
Soms lastig. Dikwijls amusant om te zien hoe hij dingen uitvist.
Kijken naar hem deed me nadenken over nieuwsgierigheid zelf.
Wat is het precies?
Mijn definitie:
Nieuwsgierigheid is de bereidheid om dichter bij iets te gaan zonder te weten wat je er zult vinden.
Dat "zonder te weten" is het onderscheidend vermogen.
Het onderscheidt nieuwsgierigheid van onderzoek (dat een antwoord wil), van interesse (dat een voorkeur heeft) en van voyeurisme (dat al weet wat het zoekt).
Onderzoek is voor mij een bekende. Het is met het niet-weten dat ik aan het oefenen ben.
Nieuwsgierigheid is een houding tegenover het onbekende. Je kiest, bewust of niet, om de afstand te verkleinen in plaats van te bewaren.
Ik heb een hypothese: wie zijn nieuwsgierigheid wil vergroten, werkt beter aan de oncomfortabelheid met niet-weten.
Dat oncomfortabele voel ik zelf ook.
Het is zichtbaarder dan ik lange tijd dacht.
Comfortabeler worden met niet-weten lijkt me bereikbaarder dan nieuwsgierig worden als uitdaging.
Een kind vraagt "waarom?" zonder het antwoord al te willen.
De vraag is genoeg. Het niet-weten vraagt geen oplossing.
Vanaf de kleuterschool leert de buitenwereld je dat niet-weten een tekort is.
Je krijgt een punt voor het juiste antwoord, nooit voor de beste vraag. De reflex wordt ingeslepen: vul het gat zo snel mogelijk.
Meningen die eigenlijk vragen zijn. Standpunten die eigenlijk onzekerheid zijn.
Zekerheid als statussignaal.
De meeste volwassenen ervaren niet-weten als bedreiging, iets wat ze zo snel mogelijk wegwerken of verbergen.
Nieuwsgierigheid die comfortabel is met niet-weten is het omgekeerde.
Dat is wat Keats negatieve vermogens noemde (negative capability): het vermogen om in onzekerheid te verblijven zonder prikkelbaar te worden en naar feiten of rede te grijpen.
Het idee duikt in veel tradities op:
- Zen: beginner's mind, de geest vol mogelijkheden, niet vol antwoorden
- Fenomenologie (Husserl): de epoché, oordeel opschorten om iets werkelijk te zien
- Socrates: de enige echte wijsheid is weten dat je niet weet (Apologie)
- Boeddhisme: don't-know mind, de toestand vóór het label
Hoe vergroot je die negatieve vermogens?
Vijf oefeningen, vier lagen.
1. Lichaamssignaal herkennen (CNS-laag)
Nieuwsgierigheid heeft een fysieke textuur: een lichte trek, een opening, een spanning die naar iets toe beweegt.
Ik merk die trek pas als ik drie tabs verder zit. Dus oefen ik het herkennen van dat signaal vóórdat de mentale laag beslist of het de moeite waard is.
Wanneer je die trek voelt (bij een idee, een gesprek, een zin), stop dan even. Zet nog geen actie. Voel wat er in je lichaam is. Waar het zit? Maak het zichtbaar.
2. Onzekerheid voelen zonder te vluchten (Emotionele laag)
Zoek bewust een moment van niet-weten op en blijf er 60 seconden bij.
Merk op welke emotie opkomt: ongemak, angst, irritatie. Dat is de emotionele laag die zekerheid heeft leren koppelen aan veiligheid.
Nieuwsgierigheid vraagt dat je die koppeling losser maakt. Verdraagt.
3. Vragen als eindpunt (Mentale laag)
De mentale laag heeft de reflex om alles te willen sluiten.
Oefen één keer per dag een gesprek of leesmoment te eindigen met een vraag in plaats van een conclusie. Liever: "wat zou er zijn als Y?"
Je traint de mentale laag om open te laten wanneer het kan.
4. "Ik weet het nog niet" als identiteitsuitspraak (Identiteitslaag)
De identiteitslaag heeft een verhaal: "ik ben iemand die dingen weet."
Dat verhaal blokkeert nieuwsgierigheid even effectief als angst.
Er is iets geks aan "ik weet het nog niet" hardop zeggen in een vergadering. Mijn schouders willen al iets rechtzetten vóór de zin voorbij is.
Oefen het toch. Ook sociaal. Zonder het te verdoezelen of snel op te lossen. De verschuiving van (would be)- expert naar verkenner zit hier.
5. Crossover-input (alle lagen tegelijk)
Lees, luister of kijk één keer per week iets volledig buiten je domein.
Gebruik het als observatie-oefening op alle vier lagen: welk lichaamssignaal? Welke emotie? Welke mentale weerstand? Welk identiteitscommentaar ("dit is niet voor mij")? De input is de stimulus. De vier lagen zijn de oefening.